Collectie uitgelicht



Ontdek de rijkdom van de Volkenkundige Collectie Nederland. Hieronder wordt een aantal topstukken getoond uit de volkenkundige collectie.

Hoofdtooi van het eiland Enggano (Indonesië) uit de collectie van Volkenkunde Leiden:

 

Deze hoofdtooi (invnr 712-1), Epaku genaamd, dateert van voor 1888 en is gemaakt van hout, en versierd met bladtin.

Het is een hoofddeksel voor vrouwen, gedragen tijdens het oogstritueel. Oorspronkelijk was het hoedje versierd met stokjes met kippenveren die tijdens het dansen heen en weer zwiepten. Het houten hoedje wordt over een haarknotje geschoven en vastgezet met een houten of bamboe pennetje. Het snijwerk is belegd met geimporteerd bladtin. De figuur op het hoedje stelt een oorlogstrofee voor; ofwel een verslagen vijand. In Enggano, verhoogde het doden van een vijand zowel het aanzien van de man als de vrouwelijke vruchtbaarheid. Het belang van dit symbolische beeld was groot. De Engganezen dachten er de vruchtbaarheid van de vrouwen door te bevorderen en zo het voortbestaan van de samenleving veilig te stellen.

Het eiland Enggano ligt voor de kust van West-Sumatra. In de tweede helft van de 19e eeuw was de bevolking bijna geheel uitgestorven. Dit betekent dat men kan stellen dat de meeste tentoongestelde kunstvoorwerpen uit die regio een cultuur vertegenwoordigen die niet langer bestaat.

 


Bronzen beeld van de godheid Aiyanar uit de collectie van het Tropenmuseum:

Het Tropenmuseum heeft met steun van de BankGiro Loterij dit unieke stuk (inv.nr 6465-1) aangekocht in maart 2013 tijdens de opening van TEFAF Maastricht. Het beeld is in sublieme conditie, meet 38 centimeter hoog en is gemaakt in de 14e of 15e eeuw.

 beeld Aiyanar, collectie Tropenmuseum, inv.nr. 6465-1

De hindoegod Aiyanar zit op een lotustroon in een yogahouding, de haren staan wijd uit en hij draagt een hoofdtooi met sieraden. Hij heeft zijn linkerbeen opgetrokken, met zijn linkervoet rust hij op de troon. Om het been loopt een yogaband die hem helpt om de houding vast te houden. Aiyanar houdt zijn rechterhand rechtop alsof daar een voorwerp in gehouden zou kunnen worden.

Aiyanar is een zoon van de mannelijke goden Shiva en Vishnu, de laatste in zijn tijdelijke vrouwelijke gedaante als de bloedstollend mooie Mohini. In de tentoonstelling 'Rondom India' zijn beelden te zien van een staande, stenen Vishnu – uit dezelfde tijd als de nieuwe aanwinst - en een dansende Shiva. Het beeld wordt gekocht van Marcel Nies, Oriental Art. De aankoop kan worden gedaan volgens de daarvoor geldende normen van de Unesco. Zo moet een object bijvoorbeeld vóór 1970 het land van herkomst hebben verlaten.

De cultus van de godheid Aiyanar is kenmerkend voor het Zuid-Indiase platteland, vooral in de deelstaat Tamil Nadu. Van de god zijn slechts enkele bronzen tempelbeelden bekend. De meeste Aiyanar priesters horen van oudsher tot de pottenbakkers kaste. Om hem te vereren, worden vooral terracotta paarden gemaakt en aan hem geschonken. Het Tropenmuseum is al in het bezit van een twintigtal paarden die te zien zijn in de vaste tentoonstelling 'Rondom India'. Het is een prachtige aanvulling om nu ook een klassiek bronzen tempelbeeld van Aiyanar aan het publiek te kunnen tonen. Het museum zal het publiek op verschillende manieren – bijvoorbeeld in de audiotour – één van de vele verhalen en mythes over de god vertellen. Zodra het beeld onderdak heeft gevonden in het museum, zal het eerst worden getoond in de aanwinstenvitrine, waarna het onderdeel uit gaat maken van de vaste opstelling.


Tupilak van de Inuit uit de collectie van het Museon

De nationaal en internationaal beroemde Inuit-collectie van het Museon bestaat uit kajaks, sleden, jachtgerei, wapens, kleding, snijwerk in ivoor en hout, maskers, speelgoed en tekeningen. De basis werd in 1932 gelegd door de etholoog en Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen. In de jaren zestig, zeventig en negentig van de vorige eeuw hebben conservatoren van het Museon deze collectie verder uitgebreid. Hierdoor geeft deze collectie een goed beeld van de continuïteit en verandering in een Arctische cultuur.

 Tupilak uit Groenland. Collectie Museon

In de collectie van het Museon bevinden zich een groot aantal tupilait. Bovenstaande tupilak (inv.nr. 57633) behoort tot de door Dhr. H.P. van Lohuizen verzamelde voorwerpen. Hij was natuurkundige en net als Niko Tinbergen lid van de poolexpeditie die in 1932 naar Groenland ging.

Tupilait zijn kleine, griezelige beeldjes die horen bij de wereld van de zwarte magie. Het zijn uitbeeldingen van kwade geesten en krachten, half mens en half dier. Volgens oude verhalen van de Inuit uit Groenland werden ze gemaakt door mensen met magische krachten met als doel anderen kwaad te berokkenen of zelfs te doden. Was een tupilak klaar, dan werd hij tussen de rotsen gelegd of in het water gelaten om zijn slachtoffer op te zoeken. Het behekste wezen kroop dan naar de woning van het slachtoffer en verborg zich daar, het liefst bij de ingang of onder een drempel. Op die manier was bij weggaan of binnenkomst contact met de tupilak verzekerd, zodat deze zijn slechte krachten optimaal kon overbrengen. En zo kon het gebeuren dat het slachtoffer, altijd een goede jager geweest, bemerkte dat wanneer hij de harpoen naar een zeehond wierp, hij nu plotseling er naast gooide en niet trof. En wanneer hij terugkeerde, zonder voedsel, bleek dat zijn vrouw de pan met heet water over haar benen had gekregen. En hun kind, altijd gezond, werd plotseling ziek en stierf binnen twee dagen. Wij zouden dan misschien zeggen: "Wat heeft deze man een pech gehad". Maar de jager zou zeggen: "Hier klopt iets niet; hier is hekserij in het spel; iemand wil mij schade toebrengen". Wanneer hij in zijn woning ging zoeken, zou hij de tupilak kunnen vinden. Op dat moment wist hij zeker dat er kwade opzet in het spel was. Hij kon echter aan de boze krachten van de tupilak ontsnappen. Beschikte hij over grotere magische krachten dan de tupilak, dan kon hij dit wezen opnieuw beheksen en ditmaal met meer negatieve krachten. De tupilak kroop daarna terug en keerde zich tegen zijn maker. Die werd met grotere, negatieve krachten geconfronteerd en trok als het ware al het ongeluk, dat hij een ander had toegewenst, over zichzelf heen. Toen de eerste Europeanen Oost-Groenland bezochten en de verhalen over de tupilait hoorden, wilden ze weten hoe ze eruit zagen. De Groenlanders begonnen ze in kleine sculptuurtjes uit te beelden; eerst in hout, later ook in ivoor, been en steen. De makers bemerkten, dat hoe gevaarlijker en grotesker ze deze beeldjes maakten, hoe mooier de Europeanen ze vonden. Zo werd een afzetmarkt geschapen. Nu zijn het geliefde souvenirs voor de toeristenmarkt geworden, die herinneren aan de tijd dat de Groenlanders verklaringen zochten voor het onheil dat hen of anderen overkwam.


Besneden kruk uit de collectie van het Afrika Museum

De Cameroun grasslands vormen een uitgestrekt gebied in het zuidwesten van Cameroun. Het gebied bestaat uit een veelheid van kleine koninkrijkjes, met aan het hoofd een traditionele vorst die wordt aangeduid als chef, koning, fon of sultan. De bekendste hiervan waren de Bamileke en Bamum. 

 

Deze kruk (inv. nr. 68-20) is afkomstig van de Bamum en is uitvoerig besneden met zoömorfe motieven. Het feit dat deze kruk uitvoerig uitgesneden is met dierlijke motieven, wijst erop dat het om een meubel van het hof gaat, van een hoogwaardigheidsbekleder of zelfs van een koninklijk familielid. Het zitvlak van de stoel wordt gedragen door twee cirkels van op elkaar staande padden. De pad speelt een belangrijke rol in de oorlogsmythen van de Camerounse Grassfield-culturen, waartoe de Bamum behoren. De pad symboliseert vruchtbaarheid en groei. Het ontbreekt zelden op koninklijke voorwerpen.


Verentooi van de Wajana uit de collectie van Museum Volkenkunde

Claudius Henricus de Goeje, 1879-1955, nam deel aan expedities die in het begin van de twintigste eeuw werden uitgezonden om Suriname in kaart te brengen. In 1907 was hij expeditieleider bij de Toemoekhoemak-expeditie, die voor het eerst de zuidgrens van Suriname bereikte. Tijdens deze expeditie verzamelde hij deze verentooi (invnr. 2352-1).


De Wajana noemen deze danstooi een olok. Hij bestaat uit een gevlochten geraamte dat aan de onderzijde met donsveren is versierd. Daarboven zit een band waarop witte en zwarte hoornachtige stukjes zijn genaaid volgens een meander-achtig patroon. Het meest in het oog springend is de waaiervorm van rode en twee blauwe araveren. Aan de uiteinden van een paar van deze veren hangen bundeltjes van de rugschilden van de prachtkever (Euchroma gigantea L.). Jongens tussen de tien en de twaalf jaar ondergaan bij de Wajana een inwijdingsritueel, marakè. Dit ritueel heeft twee aspecten: ten eerste worden de jongens geïnitieerd waarna zij tot de volwassenen gaan behoren; ten tweede kunnen volwassen mannen er nieuwe kracht door verwerven. Hoogtepunt van het ritueel is de wespenproef. De jongens dansen een hele nacht met de olok op hun hoofd en krijgen grote hoeveelheden kasiri (een alcoholische drank gebrouwen uit cassave) te drinken. Tegen het aanbreken van de ochtend wordt een matje met stekende wespen tegen hun borst en rug gedrukt.


Pre-Columbiaanse kruik uit de collectie van het Tropenmuseum

Deze kruik (inv.nr. 3842-120) dateert uit 1000-1550 na Christus en is gemaakt in de vorm van de Mens-Jaguar, waarschijnlijk de Meso-Amerikaanse god Tezcatlipoca. Hij verslindt de zon tijdens de eclips. Zijn kop staat in hoogreliëf.  De kruik fungeert tevens als rammelaar. De poten zijn hol en gevuld met aardewerken bolletjes, er zitten klankgaten in de poten. 

De kruik werd verzameld door Hans Feriz. Hans Feriz werd geboren op 23 augustus 1895 te Wenen. Hij studeerde medicijnen om als arts in Nederlands Oost-Indië te kunnen werken. Na een aantal reizen als scheepsarts naar N.O.I. stichtte hij een chirurgenpraktijk in Amsterdam. In 1931 maakte hij zijn eerste reis naar Amerika en leerde de pre-Columbiaanse cultuur kennen. Hij raakte hier zeer in geïnteresseerd en ging zelf artefacten opgraven en verzamelen tijdens zijn vele reizen naar het land. In het begin van de jaren ’50 verschenen zijn eerste artikelen en lezingen over het onderwerp en legde hij contacten met het Koninklijk Instituut voor de Tropen, waar hij in 1955 honorair wetenschappelijk medewerker van de afdeling Culturele- en Fysische Antropologie werd. In 1969 schonk hij zijn collectie pre-Columbiaans Amerika, van in totaal 1.440 objecten aan het Tropenmuseum. Hans Feriz stierf op 31 augustus 1970 tijdens een bezoek in Zwitserland. [M. Middelberg, 2004]. Feriz was leerling van de bekende Amsterdamse chirurg en verzamelaar dr. Otto Lanz en vriend van de scheepsarts-dichter Slauerhoff (Amigoe di Curacao, 24-5-1956). Feriz zorgde met zijn archeologisch onderzoek voor vernieuwende inzichten, zoals de idee dat Midden-Amerika slechts een doortrekgebied zou zijn geweest voor inheemse volken. Hij bewees dat in Panama al ruim 2000 jaar geleden een hoge beschaving bestond, o.a. in bezit van metallurigische kennis [D. van Dartel, november 2012]

In Amerika was een wijdverspreid geloof in het hiernamaals. De doden werden giften meegegeven, vaak gebruiksvoorwerpen zoals aardewerken potten, wapens en voedsel (mais, pinda’s, bonen etc.). Veel van de pre-Columbiaanse voorwerpen zijn gevonden in graven. 


Krachtbeeld uit de collectie van het Museon 

Krachtbeelden beelden werden in de 19e eeuw gebruikt om huisvesting te bieden aan de onzichtbare krachten van de kosmos. In de buik van het beeld, weggesloten achter een spiegeltje of een schelp, bevindt zich een magische stof, bilongo genaamd, die het beeld kracht zou verlenen. Dit krachtbeeld (inv.nr. 50256) is afkomstig van de Kongo, een bevolkingsgroep wonende in de Democratische Republiek Congo.

 Krachtbeeld, collectie Museon, inv.nr. 50256

Het beeld werd in 1939 door het Museon, toen nog Museum voor het Onderwijs geheten, gekocht van de Rotterdamsche Diergaarde, die het op zijn beurt in 1893 gekregen had van Dhr. F.G. Hanken.

Eind negentiende eeuw werkte F. G. Hanken in Belgisch Congo voor Nederlands grootste handelsmaatschappij in Centraal-Afrika, de Nieuwe Afrikaansche Handelsvennootschap. Koper, rubber en ivoor waren de belangrijkste producten die hij vanuit Afrika naar Europa liet verschepen. Het was een tijd waarin verhalen over exotische oorden, onbekende volken en vreemde culturen nieuwsgierig maakten naar tastbare getuigenissen. Onder meer in de Rotterdamse en Amsterdamse dierentuinen werden kleine volkenkundige musea geopend, waarin voorwerpen uit verre oorden werden tentoongesteld. Franken leverde aan beide dierentuinen. Bij een zending aan de Amsterdamse dierentuin vond hij het belangrijk te vertellen dat de voorwerpen die hij had verzameld authentiek waren: "Allen zijn echt, géén namaak, daar ze op een paar uitzonderingen na, door mijzelven uit de hutten gehaald zijn van het dorp, 't welk als straf werd verbrand, bij gelegenheid van Z.M.'s Atjeh- bezoek hier ter kuste".


Gelede masker uit de collectie van het Afrika Museum

Heksen bestaan nog. Bij de Yoruba in Benin, Nigeria en Togo zijn zij een dagelijkse realiteit. Het zijn de machtige vrouwelijke voorouders en godinnen. Ze worden 'onze moeders' genoemd en symboliseren vruchtbaarheid en levenskracht. Ze zijn zowel goed- als kwaadaardig en kunnen leven geven en nemen. In Anago, Ohori, Ketu en Awori in West-Yorubaland heeft men een collectieve manier ontwikkeld om zich tegen de heksen te beschermen. Hiervoor zorgt het Gelede-genootschap dat de heksen niet zozeer bestrijd als wel vereert en op geregelde tijden een groot feest organiseert om de 'Moeders' te amuseren. Het Gelede-genootschap wordt geleid door vrouwen; de mannen treden op als dansers, zangers en helpers. De viering van het Gelede-festival kent vele lokale varianten, maar de algehele structuur is overal dezelfde. De viering is verdeeld in een nachtelijk gedeelte, Efe genoemd naar het voornaamste personage dat optreedt, en dat de volgende middag gevolgd wordt door de Gelede-viering, bestaande uit een optreden van gemaskerde dansers.

De overgrote meerderheid van alle Efe- en Gelede maskers wordt als een hoed boven op het hoofd gedragen, zodat de danser er onderdoor kan kijken. De Gelede maskers bestaan uit een basismasker met een bovenbouw die alle denkbare onderwerpen kan uitbeelden. De bovenbouw van dit Gelede masker uit het Afrika Museum (invnr. 179-1) stelt mogelijk Obatala met zijn dienaren, als schepper van de aarde voor. Het is afkomstig uit Nigeria en werd vervaardigd door Alaiye Adeisa Etuobe.



Deeplink naar deze pagina